Het naoorlogse Brazilië
Het
moderne Brazilië
Terwijl de oorlog in Europa ten
einde liep, werd Vargas in Brazilië tot ontslag gedwongen en werden nieuwe
verkiezingen georganiseerd. De dictatoriale periode was hiermee afgelopen.
De kiezers, die voor het eerst stemden in een periode van 15 jaar,
verkozen generaal Eurico Gaspar Dutro, die tijdens de voorbije oorlog
Vargas' minister van Defensie was geweest. Een nieuwe democratische
grondwet werd in 1946 door het parlement aangenomen; ze bleef van kracht
tot 1967. Dutro's ambtstermijn zou eindigen in 1951.
In de tussentijd had Gétulio
Vargas zich vanop zijn ranch in Rio Grande de Sul op de verkiezingen
voorbereid. Vargas, die voordeel wist te trekken uit zijn gunstige
maatregelen rond sociaal welzijn en de vakbonden, werd verkozen tot
president van de republiek. Een aanvankelijk positief onthaalde politiek
van zijn kant kon hoe dan ook na verloop van tijd rekenen op sterke
tegenkanting en aantijgingen. Een aanhoudende lastercampagne en een
aanslag met goedkeuring van de hoogste niveaus misten hun uitwerking, zij
het indirect, niet. Tijdens de bittere politieke conflicten van 1954
schoot Vargas zich, in het nauw gedreven maar overtuigd van zijn onschuld,
een kogel door het hart. Een waarnemende administratie, beëindigde zijn
ambtstermijn.
Juscelino Kubitschek, de nieuwe
president van Brazilië die in 1956 aan de macht kwam (tot 1961), bracht
tijdens zijn regeerperiode het land weer naar de langverwachte welvaart.
Kubitschek had zich al eerder doen opmerken als de gedreven burgemeester
van de nieuwe metropool Belo Horizonte, en zou verantwoordelijk zijn voor
de bouw van de toekomstige hoofdstad Brasilia in het onverkende
binnenland. Met zijn politiek opportunisme en zijn vooruitgangsoptimisme
bracht hij Brazilië een 5 jaar lange economische expansie en
modernisering. Hij werd opgevolgd door Jânio Quadros, die minder dan een
jaar later al weer ontslag nam. João Goulart, Quodros' vice‑president,
werd aangesteld tot president nadat het Congres haastig een nieuw
parlementair stelsel had op papier gezet dat zijn macht drastisch zou
inperken. Vier maanden later bij een volksstemming wist president Goulart
de kiezers er echter van te overtuigen het vorige presidentiële systeem
weer in te voeren. Onaflatende inflatie, en politieke polarisatie tussen
links en rechts liepen uit op sociale, en politieke, onlusten en een
economische crisis die 2,5 jaar zouden aanslepen. De militaire coup van 31
maart 1964, niet opgezet met het Marxistisch geïnspireerde Braziliaanse
klimaat, maakte een einde aan de regering van Goulart.
De
militaire coup van 1964
De militaire coup van maart
1964 was aanvankelijk vrij pacifistisch van inslag: het initiatief kon
rekenen op een grote bijval en achterban en was daarnaast het gevolg van
een vakkundig doorzicht dat de jaren voordien tot volle rijpheid was
kunnen komen. De stafchef van het leger, Humberto de Alencar Castello
Branco, was het middelpunt van die militaire verzet, dat van kracht bleef
van 1964 tot 1985 (met een versoepeling vanaf 1975). In die periode
volgden 5 presidenten elkaar op, die allemaal uit de legertop werden
gerecruteerd. Het regime kon bogen op een grote interne stabiliteit en
externe onafhankelijkheid, maar zag zich gaandeweg genoodzaakt hoor ideeën
met harde hand door te drukken.
Costello Bronco zou als eerste
militair het presidentschap op zich nemen. Hij trad voornamelijk op tegen
de communistische impuls in Brazilië, en legde zich erop toe de politieke
en economische toestond van het land te stabiliseren. De grondwet werd
aanzienlijk geamendeerd om aan de regering daarvoor de nodige macht en
middelen ter beschikking te kunnen stellien. Van 1968 tot 1983 kondigde de
regering verschillende Institutionele Akten af die eigenlijk presidentiële
decreten waren. Met veel individuele en collectieve vrijheden werd in de
tussentijd komaf gemaakt. Het economische en politieke leven werd door een
nieuwe bezuinigingsgolf getroffen: coöperatieven werden afgeschaft,
stakingen werden zo goed als verboden en de arbeidersbeweging werd
gekortwiekt.
Rond 1968, onder president
Arthur da Costa e Silva, bleek de vernoemde economische
bezuinigingsstrategie wel rendabel te zijn geweest. De inflatie was onder
controle, en buitenlandse, bedrijven begonnen nieuwe investeringen te doen
door de zichtbare stabiliteit van het regime. Openbaar protest tegen
politieke beslissingen (zoals de studentenbetogingen) werd in controst
daarmee door de regering met harde hond beantwoord; tijdens deze anos de
chumbo (loden jaren) werd de militaire wil zonder de minste mogelijkheid
tot discussie doorgevoerd. President Costa e Silvo legde in 1969 wegens
ziekte zijn functie neer. Hij werd meteen vervangen door een militaire
junta en twee maanden opgevolgd door Emílio Garrastazu Médici.
Van 1967 tot 1974 genoot
Brazilië overigens van een uitzonderlijke economische groei, met een
groeicijfer van 14 % voor het bruto nationaal product in 1973. In 1975
zou Ernesto Geisel, de nieuwe president, een tijd van 'ontspanning'
doorvoeren in de nationale politiek, met een geleidelijke herstel van de
democratie tot gevolg. In 1979 werd João Baptista Figueiredo president.
Dit betekende definitief het begin van de abertura (openheid), met de
geleidelijke herinstallering van de vele politieke rechten waarmee
tijdens het militaire regime komaf was gemaakt. Velen onder de
Braziliaanse ballingen werd amnestie, verleend, en de democratie vierde
hoogtij. Figueiredo hield ondertussen de 'politiek van openheid' stevig
onder controle. In 1982 werden opnieuw directe verkiezingen gehouden voor
de benoeming van deelstaatgouverneurs, de eerste sinds 1965. Ook het
klimaat van de verschillende politieke partijen werd gestabiliseerd en
kwam geleidelijk aan weer op gang.

Nieuwe democratisering
(1985‑1989)
In 1984 waren er overal in het
land betogingen die onder het motto Diretas Já (Verkiezingen Nu)
onmiddellijke presidentiële verkiezingen eisten. Tancredo de Aimeida
Neves zou in januari 1985 door een Electoraal College tot nieuwe president
worden verkozen. Opmerkelijk is dat hij de eerste, burgerlijke president
was sinds 21 jaar, en dat hij tot de oppositie behoorde. Op 14 maart 1985
(de dag voor zijn aantreden als president) werd Neves, die al sinds een
paar maanden aan een slapende ziekte leed, echter overgebracht naar een
ziekenhuis. De presidentiële functie werd ondertussen overgenomen door
vice‑president José Sarney. Toen Neves 5 weken later overleed, werd
Sarney geïnaugureerd als president, hij beloofde, de door Tancredo Neves
beloofde politiek te blijven volgen.
Sarneys eerste bezorgdheid in
zijn functie was het uitschrijven van algemene parlementsverkiezingen met
het oog op het opstellen van een nieuwe grondwet. De belangstelling voor
het opstellen van die grondwet onder de Braziliaanse bevolking was uniek.
Na een beraad van 18 maanden werd op 15 oktober 1988 de nieuwe Grondwet
goedgekeurd: het zou de meest liberale, en sociale worden uit de
Broziliaanse geschiedenis, met een vergevorderde complexiteit.
Aandachtspunten waren onder meer een uitbreiding van het stemrecht,
rechtstreekse verkiezingen, een erkenning van de politiek en sociale
minderheden in Brazilië en een verbetering van de, arbeiderswetgeving.
Het politieke landschap werd daarnaast (voor een deel) hertekend.

Een verkozen president treedt
af (1989‑1992)
De eerste directe presidentiële
verkiezingen brachten Fernando de Collor e Mello in november 1989 aan de
macht. Collor, die voor de functie van vice‑president een beroep deed op
Itamar Franco, leidde met een uitgekiend imago en een sterk neoliberaal
discours Brazilië de langverwachte moderniteit in. Met het Plano Brasil
Novo in maart 1990 trachtte de nieuwe president alvast de Braziliaanse
economie er bovenop te helpen. In eerste instantie daalde de inflatie
aanzienlijk, maar toch waren ook een aantal negatieve effecten op langere
termijn niet van de lucht. Collor slaagde er hoe dan ook in om o.a. op het
vlak van internationale politiek, milieubescherming en buitenlandse handel
een aantal vernieuwingen door te voeren. Desalniettemin werd Collor,
beschuldigd van corruptie, op 29 september 1992 uit zijn functie ontheven
door de, Kamer van Volksvertegenwoordigers, en dit voor een periode van
180 dagen, waarin de Senaat hem gerechtelijk zou vervolgen en over een
eventuele definitieve afzetting zou beslissen. Op 29 december 1992 legde
Collor tijdens het proces van de Senaat zijn ambt zelf neer, maar
toch werd hij nadien door het merendeel van de Senaat veroordeeld. ltamar
Franco, Collors vice‑president, werd aangesteld als president voor de
laatste twee jaar van Collors ambtstermijn. De publieke veroordeling van
Collor betekende trouwens een keerpunt in de Braziliaanse politieke
geschiedenis.
Itamor Franco wist, na een
moeilijk start waarin aan de bestaande problemen niet veel kon worden
verholpen, Brazilië in relatief korte tijd de weg uit haar
sociaal‑economische impasse te wijzen. Toch moest daarvoor hard labeur
worden geleverd. Daarnaast leken ook enkele andere aandachtspunten, zoals
veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg, extra aandacht nodig te hebben.
Met het toevertrouwen van de financiële bevoegdheid aan Fernando Henrique
Cardoso werd alvast gepoogd de verregaande inflatie een halt toe te
roepen. Met zijn Plano Real koppelde Cardoso een nieuwe Braziliaanse munt,
de real, aan de dollor, en probeerde met o.a. lagere invoertarieven en
hogere rentevoeten het binnen‑ en buitenlandse vertrouwen in de
Braziliaanse economie weer op te krikken. Ook de aanhoudende corruptie met
overheidsgelden werd aan de kaak gesteld, hetgeen voor een deel een
transparanter regeringsstelsel tot gevolg had. Stilaan vond Brazilië terug
de weg naar economische groei.

Hernieuwd vertrouwen
Fernando Henrique Cardoso zou
de mee door hem in gang gezette positieve impuls zelf op kruissnelheid
helpen brengen. In oktober 1994 werd hij, met een absolute meerderheid in
de eerste verkiezingsronde, aangesteld als president. Cardoso, van
opleiding socioloog, beloonde zich een president uit de duizend: hij
slaagde erin de economische heropleving verder te zetten. Ook Brazilië's
internationale, imago verbeterde. Ongetwijfeid zaten Cardoso's minzame
diplomatische en strategische, kwaliteiten daar voor een groot stuk
tussen. Met het in werking treden van de Mercosul (een handelsovereenkomst
met verschillende Zuid‑Amerikaanse landen) in januari 1995 werden de
banden met Argentinië sinds lang aangehaald. Intussen groeide het
buitenlandse investeringsvertrouwen weer in de Braziliaanse, markt. Toch
vereisten een toenemende werkloosheid en een klein tekort in de
handelsbalans na een tijd de nodige hervormingen, hetgeen de oppositie in
de regering liet groeien. Desalniettemin haalde Cardoso met gemak zijn
herverkiezing binnen in oktober 1998.
Cardoso vervolgde na zijn
herbenoeming op de ingeslagen weg. Hij kon echter niet verhinderen dat
langzaamaan het negatieve discours rond Brazilië en zijn politiek zou
aangroeien. Onder meer het beleid rond het regenwoud, het groeiende gevoel
van onveiligheid en de corruptie bleken in deze boosdoeners te zijn. Een
nieuwe crisis bleef door de goede controle van de Cardoso‑administratie
lange tijd uit. Toch mag men aannemen dat de oppositiepartijen in de
regering tijdens dit proces stilaan aan bijval hebben gewonnen.
Die indruk werd bevestigd in
oktober 2002, toen Luiz Lula lnácio de Silva, al geruime actief binnen de
Partido dos Trabalhadates (PT), met de presidentssjerp aan de hooi ging.
Hij behaalde daarbij wel pas in een tweede ronde een voldoende meerderheid
op José Sorra, de in de lijn van Cardoso naar voren geschoven kandidaat.
Het was overigens de vierde keer dat Lulo meedong naar de positie van
president, en deze keer was een overwinning onafwendbaar. Lula's
overwinning is voor velen historisch te noemen omdat het de eerste keer is
dat iemand van lagere komaf het tot president schopt; daarnaast is Lula
zowat de verpersoonlijking van de socialistische impulsen die de laatste
jaren onder het bewind van Cardoso sterker op de voorgrond zijn gekomen.
Als beloftes aan de vooravond van zijn ambtstermijn noemde Lula onder
meer het opnieuw aanzwengelen van de economische groei en het uitvlakken
van de sociole ongelijkheid.