[back]

 

 

 

 

 Aardolie en petrochemie

 

Tot in 1953 bleef de productie van ruwe aardolie in Brazilië hangen rond de 2.000 vaten per dag, terwijl het binnenlandse, raffinagevermogen op zijn minst het dubbele aankon. Het land bleef daardoor bijzonder afhankelijk van de import. Nog in hetzelfde jaar vaar­digde het Congres, na een langdurig en verhit debat, een wet af die de oliemaatschappij Petrobrás als staatsbedrijf instelde. Petrobrás, dat vanaf dan exclusieve onderzoekings‑ en productierechten genoot, stelde niet teleur en vond al snel rendabele olievel­den. Het werd een grootse, zelfstandige en winstge­vende, onderneming, die particuliere bedrijven betrok in deelprocessen van de productie zoals raffinage en distributie. In het begin van de jaren 1990 had Brazilië ‑ met de oliecrisis van midden jaren 1970 nog in het achterhoofd ‑ zijn olieproductie verdriedubbeld (en het kon nu dus voor de helft van zijn verbruik instaan); qua raffinage was het land autonoom geworden. Brazilië is nu de derde aardolieproducent van Latijns‑Amerika. Ook de petrochemische industrie heeft zich in Brazilië snel ontwikkeld. Het land bezit nu drie grote petrochemiecomplexen in de deelstaten Bahia (Noordoosten), São Paulo (Zuidoosten) en Rio Grande do Sul (Zuiden), met een totaal productiever­mogen van 1,4 miljoen ton etheen per jaar,