[back]

 

 

 

 

 Reeds in de eerste jaren van de kolonisatie stond landbouw centraal in de Braziliaanse economie. De plantages verbonden het land toen met de wereldeconomie. Slaven werden door grote agrarische onder­nemingen gebruikt om de arbeidskost zo goedkoop mogelijk te houden, terwijl de aandacht vooral uitging naar een enkel product voor de export. Bijna uitslui­tend steunend op de suikerrietbouw in de 16de eeuw maakte de Braziliaanse economie een voortdurende reeks groei/val‑bewegingen door. Katoen, cocao, rub­ber en koffie kwamen na suiker aan de beurt.

Pas in de jaren 1970 zou dit traditionele beeld enigszins aangepast worden, en trad er een diversficatie van de landbouwproducten op. Sojabonen over­troffen weldra de suiker‑, cocao- en koffieproducten. Het volume, de waarde en de verscheidenheid van de bewerkte en deels bewerkte londbouwproducten groeide aanzienlijk, mede doordat de regering de afgewerkte productie verkoos boven de natuurlijke oogsten.

In de jaren 1980 bIeef de landbouw een belangrijke economische rol spelen, maar voortaan was er geen enkel product meer dat zo een exclusieve rol zou spelen als dat vroeger voor suiker, koffie, cocao of rubber het geval was geweest. Daarenboven stimuleerde de regering een grotere productiviteit op het land door aan landbouwers speciale kredieten te verlenen. Bovendien deed men aanzienlijke inspanningen om de vlucht van het platteland naar de stad af te remmen o.a. door van wetswege de fundamentele sociale gelijkheid vast te leggen, door een Iandhervorming tot stand te brengen door financiële hulp te verlenen aan kleinere grondbezitters die moeilijk het hoofd boven water konden houden, en door de levensomstandi­gheden in afgelegen gebieden beduidend comforta­beler te maken. Van 1980 tot in het begin van de jaren 1990 steeg de landbouwproductie (38 %) door de genomen maatregelen sneller dan de bevolking (26 %). De Braziliaanse landbouwers gingen dus meer produceren, zowel voor de binnenlandse als buitenlandse markt.

In het begin van de jaren 1990 was Brazilië overi­gens de eerste producent ter wereld van koffie en rietsuiker, de tweede cocaoproducent, de vierde tabaksproducent en de zesde katoenproducent. De in 1970 geïnitieerde stimulering van landbouwdiversfica­tie hoort daarnaast duidelijk vruchten opgeleverd. Zo heeft de graanproductie zich aanzienlijk uitgebreid: ze omvat koren, rijst, maïs en vooral sojabonen. De meeste producten uit de wouden, zoals rubber (vroe­ger een onontbeerlijk exportproduct), noten en cas­hewnoten, was en vezels worden vandaag de dag op Braziliaanse plantages geproduceerd. Dankzij een brede klimatologische diversiteit kan Brazilië allerlei vruchten van tropische variëteit aanbieden in het noorden (verschillende nootsoorten en advocado's) tot grote hoeveelheden citrusvruchten en druiven in de zuidelijke streken met een meer gematigd klimaat. De verscheidenheid aan vruchten alleen al is ongelooflijk (goiába, mango, lemão, ...), en sommige soorten komen alleen in Brazilië voor, hetgeen hun waarde ‑zeker voor de export ‑ aanzienlijk doet stijgen. In 1992 werd 83,6 % van de sinaasappelproductie in de vorm van geconcentreerd vruchtensap uitgevoerd, wat een winst opleverde van 1,5 miljard US$. Brazilië scoort ook op het vlak van vlees uitstekend: het is de vierde rundveefokker ter wereld en levert een vijfde van ' s werelds rundvlees.