[back]

 

 

 

 

Toen het Portugese hof zich in 1808 in Brazilië ves­tigde, bracht het ook de geest van de Europese Romantiek met zich mee. De Braziliaanse schrijvers begonnen in navolging van dat romantisch levensideaal de individuele vrijheid, het subjectivisme en de sociale problemen te benadrukken. Nadat Brazilië in 1822 onafhankelijk geworden was, werd door de romantische schrijvers het unieke karakter van de Braziliaanse tropen en van zijn Indianen verheerlijkt, bekommerde men zich om het lot van de negerslaven, en beschreef men het leven in de steden. De bekendste schrijvers van de romantische periode waren dichters, zoals Castro AIvez (1847‑1871 ) die de Afrikaanse slaven tot onderwerp van zijn poëzie maak­te, en Gonçalvez Dias (1823‑1864) die over de Indianen schreef. Manuel Antönio de Almeido (1831 ‑1861) was een wegbereider van wat later de Braziliaanse picareske roman zou worden (met de ver­heerlijking van een schelm als romantisch en maatschappelijk verguisd personage). José de Alencar (1829‑1877) publiceerde een aantal populaire romans, zoals lracema over de Indianenbevolking, het historische O Guarani en een aantal boeken over regionale, sociale en stedelijke problemen. Twee romantische schrijvers uit voornoemde periode vinden overigens ook vandaag de dag nog vlot hun weg naar het lezerspubliek: Joaquim Manuel de Mecedo (1820‑1882), de auteur van het populaire verhaal Moreninha, en Alfredo d'Escragnolle Taunay (1843-­1899), de auteur van lnocência.

De Parnasschool was in Brazilië net zoals in Frankrijk een reactie tegen de excessen van de romantici. De dichters van de zogenaamde 'Parnastriade' ‑ Olavo BiIac (1865‑1918), Raimundo Correa (1860‑1911 ) en Alberto de Oliveira (1859‑1937) ‑ staan bekend om hun verfijnde gedichten waarin eigen persoonlijkheid en sociale onderwerpen verdwenen zijn.

Joaquim Maria Machado de Assis (1839‑1908), bekend als de grootste Braziliaanse schrijver van zijn tijd, blonk uit door het universele karakter van zijn romans en essays. Nu nog is de invloed van Machado de Assis in de Braziliaanse literatuur merk­baar. In zijn oeuvre hanteerde hij zowel de romantische stijl als die van het realisme, waarmee hij doet denken aan het naturalisme van de Franse schrijver Emile Zola en aan de Portugees Eça de Queiroz. Ook Euclides de Cunha (1866‑1908) was in zijn boeken gericht op het portretteren van de Braziliaanse sociale realiteit. In 1902 verscheen zijn beroemdste werk, Os Sertões, over een opstand in het Braziliaanse Noordoosten geleid door een religieuze fanaticus. Zowel het oeuvre van Machado de Assis als dat van Euclides da Cunha is veel vertaald en is vrij frequent in de boekhandels terug te vinden.

Rond het begin van de 20ste eeuw kwam het symbolisme stilaan in zwang, met als hoofdfiguren de dichters Cruz e Sousa (1861‑1893) en Alphonsus de Guimaraens (1870‑1921). De symbolisten interes­seerden zich voor de mystiek en gebruikten metaforen en allegorieën om hun ideeën uit te drukken. Op die manier probeerden ze de dingen 'voorbij' de werkelijkheid toch met naam te noemen.

Rond 1920 waaide er dan een verfrissende nieuwe inspiratie doorheen het Braziliaanse cultuurleven, wat zich voor het eerst in São Paulo manifesteerde in 1922, tijdens de Week van de Moderne Kunst. De nieuwe manier van denken, die eigenlijk al voordien had kunnen rijpen maar zich nu pas manifesteerde, lanceerde een artistieke revolutie die gepaard ging met de verheerlijking van populaire kunst en folklore en de vaderlandse geschiedenis. De deelnemers aan de Week van de Moderne Kunst experimenteerden met literatuur en beeldende kunsten, en waagden zich aan futurisme, kubisme en dadaïsme. De dichter Menotti del Pichia vatte de doelstellingen van de nieu­we beweging kernachtig samen: "Wij willen licht, lucht, ventilatoren, vliegtuigen, arbeiderseisen, idealisme, motoren, fabrieksschoorstenen, bloed, snelheid en droom in onze Kunst."

De belangrijkste schrijver en theoreticus van de modernistische beweging was zeker Mário de Andrade (1893‑1945); hij schreef gedichten, essays over literatuur, kunst, muziek en Braziliaanse folklore, en Macunaíma, 'een rapsodie maar geen roman' (vol­gens de auteur). Oswald de Andrade schreef (1890­1953) schreef Pau‑Brasil (Brazielhout), een gedichten­bundel die met eenvoudige bewoordingen en ‑ voor het eerst in de Braziliaanse literatuur ‑ met de nodige humor Brazilië's cultuur, bijgeloof en familieleven toelichtte.

Een nieuwe literaire spontaniteit verscheen vervol­gens in het werk van de dichters Carlos Drummond de Andrade (1902‑1987), die de gewoonten van de tijd met ironie weergaf, en Manuel Bandeira (1886-­1968), die speelde mee woorden, spreekwoorden en volksuitdrukkingen en daarmee met genoeg verbeel­ding zijn boodschap wist duidelijk te maken. Bandeira wilde een laatste gedicht schrijven dat eeuwig zou zijn en dat de 'eenvoudigste en minst opzettelijke dingen' zou zeggen.

 

De moderne Braziliaanse roman veranderde voor­goed van vorm en inhoud na de publicatie van Bagaceira van José Américo de Almeida (1887‑1969), een verhaal over de moeilijke levensomstandigheden in het noordoostelijke binnenland. Dit rauwe maar toch ook melancholische realisme had een diepgaande invloed op schrijvers als Jorge Amado (1902‑2001 Graceliano Ramos (1892‑1953), José Lins de Regno (1901‑1957) en Rachel de Queiroz (1910 ‑ ). Ook in hun oeuvre krijgt dezelfde 'levensechte' thematiek en krachtige beschrijving vaak de bovenhand.

Jorge Amado is zonder twijfel een van de meest gelezen Braziliaanse auteurs van de voorbije eeuw. Zijn boeken werden onderhand vertaald in wel meer dan dertig talen, met een internationaal lezerspubliek dat ook nu nog zijn werken met plezier koopt. Ook Amado zelf was tijdens zijn carrière trouwens erg internationaal gericht, en nam geregeld in het buitenland prijzen in ontvangst. Zijn eerste romans concentreerden zich op het moeilijke leven op de cacaoplantages en dat van de vissers in de kustplaatsjes van de deelstaat Bahia, waar Amado zijn jeugd had doorgebracht. Uit die werken sprak een rauw sociaal realisme met een lichte marxistische ondertoon. Later ging Amado zich meer interesseren voor het nu eens leuke, dan weer droevige bestaan van de middenklassen in de stad Salvador de Bahia, in een reeks boeken die wereldberoemd werden. Gabriela, Cravo e Canela (Gabriela, Kruidnagel en Kaneel) is daarvan veruit het meest bekende. Dona Flor e seus Dois Maridos (Dona Flor en haar Twee Echtgenoten) werd dan weer voor toneel, film en televisie bewerkt. De meeste van Amado's boeken zijn ook in Europa vertaald en overal verkrijgbaar.

 

Misschien was João Guimarães Rosa (1908‑1967) wel de meest originele schrijver. Hij was beroepsdiplo­maat en publiceerde eerst een novellebundel, Sagarana, die op onmiddellijk succes kon rekenen bij het grote publiek en bij de critici, en daarna zijn beroemdste werk Grande Sertão: Veredas. Guimoarães Rosa bestudeerde de spreekwijzen uit het diepe bin­nenland en begon daarmee als het ware aan een semantische revolutie. Hij confronteerde zijn lezers met nieuwe woordcombinaties en een geslaagde zins­bouw; en smeedde daarmee een soort nieuwe taal.

Een ander Braziliaans schrijver die hier zeker niet mag ontbreken is Gilberto Freyre (1900‑1987), stilist en socioloog van de nieuwe lichting, die onder meer Casa Grande o Senzala (Meesters en slaven) schreef, een realistische doorlichting van de werkelijke Braziliaanse samenleving. Freyre was één van de eersten die inzag dat het aandeel van de voormalige slaven en de inheemse indianenbevolking ‑ die door de maatschappelijke elite op dat moment nog altijd werden nagekeken ‑ in feite de Braziliaanse samenle­ving beslissend en positief hadden gevormd en ver­rijkt. Met zijn 'kroniekschrijving' ‑ een van de eerste waarheidsgetrouwe beelden van de Braziliaanse bevolking ooit ‑ was het werk van Freyre ook een signaal tegen het racisme dat nog altijd impliciet in de bevolkingsmentaliteit ingebakken zat.

Als een van de beroemdste Braziliaanse dichters kon hier João Cabral de Melo Neto (1918‑1999) wor­den genoemd. Zijn poëzie is sober en hij wikt zijn woorden zorgvuldig met de nauwkeurigheid van een ingenieur.

Vinícius de Moraes (1913‑1980) verdient hier zeker een speciale vermelding, omdat zijn poëzie de blauw­druk heeft gevormd van de bekende Braziliaanse bossa nova‑beweging van de jaren 1950. Op de tonen van de jazz werd in die liedjes op dromerige wijze alledaagse thema's zoals dat van het meisje van om de hoek in een paradijselijke context geplaatst (bijvoorbeeld het bekende Garota de lpanema). De bossa nova zou later ook een beslissende invloed hebben op de typische Braziliaanse samba. Vinícius (zoals hij over de hele wereld wordt genoemd) schreef ook een toneelstuk, Orfeu da Conceição, dat uiteindelijk zijn weg naar het grote publiek vond via de film Orfeu Negro van de Fransman Marcel Camus (1959).

Andere eigentijdse romanschrijvers zijn: Orígenes Lessa, Adonias Filho, Érico Veríssimo, Dinah Siveiro de Queiroz, Lygia Fagundes Telles, Herberto Sales, Rubem Fonseca, Clarice Lispector, Dalton Trovisan, Nélida Pinon, Osmans Lins en Moacir Scliar. Belangrijke hedendaagse dichters zijn Raul Bopp, Murilo Mendes, Augusto Frederico Schmidt, Mório Quintana, Cassiano Ricardo, Jorge de Lima, Ferreira Gullar, Cecília Meireles, Augusto de Campos en Haroldo de Campos.