[back]

 

 

 

Music

De eerste Jezuïeten die in Brazilië aankwamen ont­dekten dat de Indianen hun rituele liederen en dansen met primitieve wind‑ en slaginstrumenten begeleid­den. De Jezuïeten maakten handig van die muzikale expressie gebruik om de Indianen catechese aan te leren: ze vervingen de originele tekst door woorden uit de inheemse taal (bijvoorbeeld het Tupi Guarani). Ze voerden ook de Gregoriaanse zang in en leerden hen onder meer fluit, strijkinstrumenten en het clavichord te bespelen. Die vermengde muziek begeleidde de plechtigheden op de dorps‑ en kerkpleinen.

'Zwarte' muziek werd in de eerste eeuw van de kolonisatie met de slaven over de Atlantische oceaan van Amerika meegebracht. De muziek werd verrijkt door haar contact met de Portugese traditie. Een belangrijk verschijnsel op muzikaal vlak was de komische zang­dans van de zwarten, de zogenaamde lundu. Dit werd een typische populaire muzikale vorm en werd zelfs in de 19de eeuw nog aan het Portugese hof gezongen. In de tweede helft van de 18de eeuw en in de 19de eeuw was anderzijds ook de liefdesromance, de modinha, heel populair; het werd zowel aan het Portugese Hof als in de elitaire Braziliaanse salons gezongen. Het is niet duidelijk of de modinha nu in Brazilië ontstond of in Portugal; waarschijnlijk is de liedvorm het resultaat van een inwerking van beide contexten.

Muziekscholen bestonden in de zwarte havenstad Salvador de Bahia reeds in het begin van de 17de eeuw en religieuze muziek werd ‑ over het hele land trouwens ‑ in kerken gespeeld. Muziek en andere kunstvormen ontwikkelden zich verder met de komst van de koninklijke familie in 1808. Koning João VI, een fervent muziekliefhebber liet de componist Marcos Portugal en de Oostenrijkse pianist Sigismund von Neukomm (een leerling van Haydn) uit Europa overko­men. De koning interesseerde zich echter ook voor Braziliaanse muzikonten, zoals José Maurício Nunes Garcia (1767‑1830), een bekend lokaal organist en clavichordspeler. João VI benoemde hem tot inspecteur van de Koninkrijke Kapel, een instelling die meer dan honderd muzikanten en zangers telde, waaronder tal­rijke buitenlanders.

Carlos Gomes (1836‑1896), afkomstig van Campinas (deelstaat São Paulo), componeerde rond het eind van de 19de eeuw een aantal opera's naar ltaliaans model; de bekenste, II Guarany, is geba­seerd op een beroemde Braziliaanse roman door José de Alencar over een schurkachtige kolonist die een indiaanse aanval veroorzaakt om het bezit en de dochter van een Portugees edelman te veroveren. Brasílio Itiberê (1848‑1913) was de eerste Braziliaanse componist die een traditioneel thema in erudiete muziek verwerkte. Zijn compositie van 1869, A Sertaneja (Het Plattelandsmeisje) werd door Franz Liszt gespeeld en is nadien een repertoirestuk gewor­den.

De Week van de Moderne Kunst, die in 1922 onder de vlag van cultuurexperiment in São Paulo werd goör­goniseerd, heeft niet alleen in de literatuur en de schilderkunst maar ook in de Braziliaanse muziek een duidelijke omwenteling teweeg gebracht. Tegelijkertijd begonnen een aantal vernieuwende componisten sti­laan meer erkenning te krijgen. Met Heitor Vila‑Lobos (1887‑1959) als hoofdfiguur importeerden ze de tech­nieken van de Europese avant‑garde en begonnen ze Braziliaanse populaire deuntjes en ritmes te transpo­neren naar meer symfonische composities. Muziekinstrumenten uit de populaire cultuur werden daarbij vaak in de klassieke orkesten geïntegreerd.

Na enige tijd konden in de Braziliaanse muziek grof­weg twee hoofdstromingen onderscheiden worden. Schrijver Mário de Andrade had tevoren al gepleit voor een muziek die haar inspiratie zou halen in het nationale leven en in de Braziliaanse folklore. Componist Camargo Guarnieri, die De Andrade in zijn visie volgde, stond aan het hoofd van de nationalistis­che muzikale beweging die daaruit volgde. Andere toondichters in deze groep waren onder meer Luciano Gallet (1893‑1931 ), Oscar Lorenzo Fernandez (1897­-1948), Francisco Mignone (1897-1986), Ramadés Gnatalli (1906‑ ) en Guerra Peixe (1914-1993). In de meest gevarieerde richtingen zochten deze componis­ten naar een nationale muzikale taal die toch univer­seel zou kunnen zijn.

Na 1939 ontstond er een andere muzikale bewe­ging rond het werk van Hans Joaquim Koeltreutter, de stichter van de Live‑muziekgroep. Cláudio Santoro (1919-1990), Eunice Catunda (1926‑ ), Edino Krieger (1928‑ ) en de andere leden van de groep baseerden hun composities op het universele karkater van de muzikale taal. Ze gebruikten daartoe atonaliteit en dodecafonie als inspiratiebronnen.

De Braziliaanse 'populaire' muziek ontwikkelde zich naast de klassieke; ze vermengde traditionele Europese instrumenten (gitaar, piano en fluit, voorna­melijk uit de lberische traditie) met de ritmische kracht van braadpannen, rommelpotten (cuícas) en tamboe­rijnen. Daarnaast kon ook een grote scheut creativiteit en zin voor catchy melodie in deze muzikale cocktail niet ontbreken. Al snel ‑ in de jaren 1930 ‑ werd die Braziliaanse muziek heel populair dankzij de radio. De MPB oftewel Música Popular Brasileira was er in haar embryonale vorm bijzonder mee gediend. Drie van de bekendste componisten van die periode zijn Noel Rosa (1910‑1937), Lamartine Babo (1904‑1963), Pixinguinho (1898‑1973) en Ary Barroso (1903­-1963). Barroso's succeszangeres, Carmen Miranda (1909‑1955), verwierf een internationale reputatie toen ze in verschillende Hollywoodfilms optrad.

 

Halverwege de jaren 1960 werd het betoverde Garota de lpanema (Het meisje van lpanema), met zijn melancholische melodie en onderwerp, de eerste hit die binnen de bossa nova-golf naar voren kwom. Die nieuwe Braziliaanse música popular liet al snel velen over de hele wereld wegdromon, en vergunde Antonio Carlos Jobim (kortweg Tom Jobim, 1927‑1994) en tekstschrijver Vinícius de Moraes (1913‑1980) de onmiddellijke toegang tot het sterrendam. João Gilberto (1931 ‑), Stan Getz (1927‑ ) en Astrud Gilberto (1940‑) volgden in hun kielzog.

De bossa nova was op het eind van de jaren 1950 in Rio de Janeiro ontstaan. In het begin ging het om een muzieksoort die in die intieme sfeer van de woningen van de middenklasse werd gespeeld. Deze muziek mengde de Braziliaanse samba met de Amerikaanse jazz. Later werd de bossa nova tot een nieuwe muzikale opvatting: wat droefheid in een ato­nale stemming en gewichtige woorden. Daardoor werd de samenwerking tussen moderne dichters en popmuzikanten (Vinícius de Moraes, Chico Buarque, Tom Jobim, Luiz Bonfá en Baden Powell) in Brazilië en daarbuiten een enorm succes.

 

In 1968, in een tijd van dictatuur, stadsguerrilla en politieke onzekerheid, verscheen dan het tropicalismo, met Caeteano Veloso, Gilberto Gil, Milton Nascimento, Jorge Ben en Gal Costa als voornaamste vertegen­woordigers. Zij maakten een vermenging van interna­tionale elementen (bijvoorbeeld de rock 'n roll) met binnenlandse ritmes. Daarbij voegden ze dan een ori­ginele en intelligente tekst die sneller en met een dui­delijker geaccentueerd ritme dan in de bossa nova werd gebracht.

De (aanvankelijk niet‑gecommercialiseerde) Braziliaanse volksmuziek kan moeilijk met één etiket worden benoemd; ze neemt per regio een verschillen­de vorm aan, telkens ingebed in de lokale cultuur. In het noordoosten vind men zo een were keur aan verwante muzikale expressievormen, waaronder de forró, een landelijke dans begeleid door accordeon, fluit, gitaar en slaginstrumenten, waarbij de zangers stampvoeten; en de tegelijk dynamische en sobere frevo. Daarnaast is er in Rio de Janeiro ook nog de chorinho (wat 'traantjes' betekent), met verschillende gitaren, fluiten, percussie‑instrumenten en soms ook een klari­net of saxofoon. De wereldberoemde lambada wordt dan weer in een snel tempo en op een sensuele, manier gedanst; de naam lambada is eigenlijk afge­leid van een Portugees werkwoord dat 'zwepen' of  ‘geselen' betekent, en verwijst naar het tegen elkaar klappen van de dijen van de dansers.

De meest typisch Braziliaanse populaire muziek blijft echter de bekoorlijke samba. Niemand weet waar die samba precies vandaan komt. Volgens sommigen ontstond deze muziek in de straten van Rio de Janeiro uit de somensmelting van drie verschillende elementen: Portugese hoofse liederen, Afrikaanse ritmes en invloeden uit de Indiaanse dans. Anderen geloven dat de samba uit de batuque groeide, een oorspronkelijk afrikaanse muziekstijl die steunde op percussie‑instru­menten en een ritmevol handgeklap. Vandaag de dag staat de samba overigens niet voor één stijl van muziek, maar wel voor verschillende verwante stijlen doorheen het land. Als de Braziliaan muziek maakt die zijn culturele eigenheid in de verf zet, dan noemt hij dat simpelweg samba.

 

Ook recent blijft de Braziliaanse MPB hoge toppen scheren met een voortdurend hernieuwde combinatie van binnen‑ en buitenlandse ritmes en melodieën. De Braziliaan schuwt de creativiteit daarbij allerminst: de componisten en vertolkers lijken in hun inspiratie soms wel een duizendpoot en verbazen geregeld met hun inventiviteit tot in alle hoeken van de wereld. De Braziliaanse mix werkt aanstekelijk, zoveel is duidelijk. Enkele musici die hier zeker niet onvermeld mogen blij­ven zijn onder meer Maria Bethânia, Alcione, Roberto Carlos, Cazuza, Ney Matogrosso, Rita Lee, Milton Nascimento, Hermeto Pascaal, Fofá de Belém, Chitãozinho en Chororó, Elba Ramalho, Alceu Valença, Luiz Gonzaga, Luiz Gonzaga Jr., João Bosco, Djavan, lvan Lins, Marisa Monte en Elis Regina. Vele bekende artiesten deden trouwens op hun Europese tournees ook België aan. Onlangs passeerden zo nog Daniela Mercury en Carlinhos Brown op het Brusselse Couleur Café, en deden Zeca Baleiro en Fernando Abreu het Boechoutse Sfinks Festival aan. Eerder verzorgden ook Chico Science & Nação Zumbi, Nana Vasconcolos, Bebel Gilberto en Lenine optredens op Belgische bodem, telkens uitstekend bijgelicht door de radioprogramma's Cucamonga en Club Tropical op Radio 1.