Schone Kunsten
De meest indrukwekkende
kunstenaar uit de koloniale periode was de architect en beeldhouwer
António Francisco de Lisboa (1738‑1814), bijgenaamd Aleijadinho ('de
kleine kreupele') door een botziekte die bij hem op latere leeftijd optrad
en hem het werken bemoeilijkte. Deze zoon van een Portugese pionier en
een Afrikaanse slavin had zichzelf het volk geleerd, en was een ware
meester in rococoversiering, geschilderd houtsnijwerk en beeldhouwwerk.
Toen hij aan verlamming leed bleef Aleijadinho ruim dertig jaar doorwerken
met een beitel en een hamer die aan zijn polsen waren vastgehecht. Veel
van zijn werken kunnen nu bewonderd worden in zijn geboortestaat Minas
Gerais, vooral in en om de stad Ouro Preto. In het nabijgelegen Congonhas
de Campo heeft Aleijadinho de levensgrote, zeepstenen standbeelden van de
Profeten gebeeldhouwd en ze op het terras en de trap van de kerk van Bom
Jesus de Matosinhos gelplaatst. Bovenaan de kerktrap creëerde hij, in zes
kleine kapellen, een Kruisweg met 66 fascinerende, beelden van cederhout.
Tijdens de laatste vier
decennia van de 18de eeuw ontstond, hoofdzakelijk in Rio de Janeiro, een
nieuwe vorm van kunst waarin nieuwe, wereldlijke thema's opdoken. Het
religieuze aspect verschoof hierdoor een beetje naar de achtergrond.
Profane kunstwerken, bijvoorbeeld schilderijen van prominente personen,
gingen in Rio een steeds voornamere rol innemen.
Het begin van de 19de eeuw was
vervolgens een tijd van 'Europeanisering' door de aanwezigheid van het
Portugese hof na de inval van Napoleontische troepen in Portugal. Dom João
VI, de uitgeweken Portugese vorst, stimuleerde het intellectuele leven van
Rio de Janeiro door er culturele instellingen op te richten, zoals de
Koninklijke Drukkerij en de Nationale Bibliotheek. Bovendien liet hij ook
een groep Franse kunstenaars overkomen om een Braziliaanse Academie voor
Kunsten en Ambachten op te richen naar Europees model, en om de
neoklassieke stijl in
het moderniseringsplan van de
nu koninklijke hoofdstad Rio de Janeiro te integreren. In die Franse groep
bevonden zich de gebroeders Taunay, architect Auguste Grandjean de
Montigny (1776‑1850) en kunstschilder Jean‑Baptiste Debret (1768‑1848).
Debret schetste systematisch
landschappen, mensen en tradities. Dankzij hem en zijn collega's bleven
het neoclassicisme en het academisme tot ver in de Republikeinse Periode
doorleven. Toch werden stilaan ook officiële stemmen gehoord die deze
elitaire vorm van kunstbeoefening en ‑normering aan de kaak stelden.
De Week van de Moderne Kunst,
die in 1922 door enkele experimenterende vernieuwers in São Paulo zou
worden georganiseerd, vormde in feite een laat cumulatiepunt van dat
protest. Kunstenaars gaven er uiting aan hun ontevredenheid over het
elitaire academisme dat zowat alle takken van de Braziliaanse culturele
expressie had besmet. Ze wilden de Academisten tonen dat kunst spontaan
moest zijn, wars van elk formalisme en vrij voor de individuele ervaring.
Stilaan deed zich dan ook daadwerkelijk een koersverandering in die zin
voor in de Braziliaanse kunst, maar het is niet zeker of de Week van de
Moderne Kunst daarvan de oorzaak is geweest dan wel louter met de
ommekeer samenviel. Het staat echter vast dat de Week de opkomst en
appreciatie van vernieuwende benaderingen vergemakkelijkt heeft: kritisch
zoeken naar kwaliteit, verkenning van nieuwe woorden, weigering van de
Europese stereotypen.
De Braziliaanse schilderkunst
kende geen uitmuntende voorlopers; in de jaren 1920 dook de schilderkunst
eenvoudigweg op binnen het Academisme en sloot het zich aan bij de
technische vernieuwingen die uit Europa overwaaiden; de gemoedstoestanden
en de thematiek waren echter overduidelijk van Braziliaanse origine. In
1913 was Lasar Segall (1891‑1957) de eerste kunstenaar die in Brazilië
moderne kunst durfde tentoon te stellen. Een van de belangrijkste
deelnemers aan de Week van de Moderne Kunst was Emiliano di Cavalcanti
(1897‑1957), een bohémien uit een familie van dichters en militairen, die
graag verbleef in de underground van Rio de Janeiro en bekoorlijke
mulattinnen portretteerde.
Cândido Portinari (1903‑1962)
was de eerste Braziliaanse kunstschilder die een initernationale
reputatie verwierf. Hij was afkomsitig van een kleine koffieplantage in
de buurt van São Paulo. Portinari experimenteerde met typisch
Braziliaanse thema's en kleuren. Een keer liet hij zich 30 kilo aarde uit
verschillende streken van Brazilië brengen, die hij vervolgens haast
symbolisch met zijn verf vermengde. In Portinari's schilderijen leven
eenvoudige mensen in vreugde en in leed. De universaliteit van die
thematiek leverde hem talrijke uitnodigingen en opdrachten op, zoals
bijvoorbeeld de São Francisco kerk van Oscar Niemayer aan het meer van
Pampulha in Belo Horizonte. Ook de monumentale wandschilderingen in de
Noordamerikaanse Library or Congres te Washington D.C. en de
muurschilderingen rond het thema van oorlog en vrede in het gebouw van de
Verenigde Naties te New York zijn van zijn hand.
Al was Brazilië al een tijdlang
de thuishaven voor veel buitenlandse kunstenaars, toch ondervond het
contact met de internationale kunstenaarsgemeenschap een flinke deuk
tijdens de tweede Wereldoorlog. Na de oorlogsjaren trachtte men met
financiële steun de kunst opnieuw leven in te blazen. Eind jaren 1940 werd
in Rio de Janeiro het Museum voor Moderne Kunst opgericht en werden in São
Paulo zowel een gelijkaardig museum als het door Chateaubriand gestichte
Kunstmuseum geopend. Ais gevolg van de talrijke cursussen die in deze
musea georganiseerd werden, werden ook elders in Brazilië exposities
gehouden en musea opgericht. De Biënnale van São Paulo werd in 1951 door
Francisco Matarazzo Sobrinho georganiseerd; ze gaf de Braziliaanse
kunstenaars gelegenheid om zich voor te stellen bij het internationale
kunstminnende publiek en voerde buitenlandse kunstzinnige innovaties in.
In de jaren 1950 zouden de Biënnales uitgroeien tot de belangrijkste
artistieke gebeurtenis van Latijns‑Amerika doorheen het jaar; ze maakten
van São Paulo het culturele hart dat het vandaag nog altijd is door
exposities over hedendaagse kunst en de overzichtententoonstellingen van
de internationale bewegingen.